Carnaval in Kruikenstad: meer dan 44 jaar 'op niveau'

‘De plannen om te komen tot openbare viering van het Carnaval moeten niet worden bestreden maar ook niet bevorderd.’ Dat staat in de besluitenlijst van de vergadering van het college van Burgemeester en Wethouders van Tilburg op 5 april 1956.
Weinig principieel, zelfs probleem ontwijkend, is de stellingname, die werd opgetekend negen jaren voordat het openbare carnaval in Tilburg van het gemeentebestuur eindelijk, en met aanvankelijk kennelijke tegenzin, het fiat kreeg. B en W gaven (5-2-1965) een vergunning af voor het houden van een jeugd- en volwassenenoptocht door het centrum van Tilburg op carnavalszondag 1965. Een commissie van elf personen, die een tijdlang had geijverd voor het uit de schulp kruipen van de carnavalsvierders, viel de eer van de organisatie te beurt. Carnavalsvierders waren er toen wel maar die moesten het feest wel binnenskamers vieren.
Al in een voogdijrekening over de jaren 1586-1598 wordt vermeld dat het weeskind Jenneken, dochter van Pauwels Gijben vier stuivers kreeg om met ‘vastelavont’ haar ‘gelach’ te betalen. De weesjongen Cornelis Laureijssen ‘verdronck’ op vastenavond 1628 niet minder dan vijftien stuivers. Uit andere bronnen weten we dat er in de Meierij, en Tilburg zal geen uitzondering zijn geweest, ook heel wat typische vastenavondgebruiken waren. De overheid verbood namelijk met gepaste regelmaat het vermomd op straat lopen, dansen en muziek maken, vuren stoken en het wreed spel ‘gansrijden’. Dat laatste gebeurde in Tilburg nog in 1765.
Vastenavondrel
De grootste vastenavondrel die Tilburg ooit heeft gekend heeft er voor gezorgd dat de openbare viering van het feest een eeuw lang totaal verboden is geweest. Dat was in 1857. De zo genaamde ‘maskerademannen’, Tilburgse jongelieden vaak uit de betere standen, brachten toen een regelrechte opstand teweeg tegen het kerkelijk en daarmee verbonden wereldlijk gezag omdat ze hen het vastenavondgenoegen om in vermomming en in optocht door de straten te dansen wilden verbieden. Er werden door de jongelui spotliederen gezongen en van de andere kant werd door de geestelijkheid in de persoon van een naar Tilburg gehaalde boeteprediker pater Bernard gedreigd met kerkelijke sancties. De provocaties vlogen over en weer.
Verbod 
Uiteindelijk volgde het gemeentebestuur de geestelijken en verbood het openbaar carnaval. En dat is dus bijna honderd jaar zo gebleven. Vastenavond kon alleen nog in huiselijke kring of in de beslotenheid van sociëteiten en verenigingen worden gevierd. Cafébazen kregen nog tot begin jaren zestig van de twintigste eeuw geen toestemming om in hun lokalen te laten dansen en hossen door hun vaste klanten. Alleen bijvoorbeeld sportverenigingen, die bij hen thuis waren, kregen toen zo’n vergunning, mits de eerbaarheid was gewaarborgd. Door samenbundeling van zulke verenigingsactiviteiten ontstonden toen in de buurtcafés ook echte carnavalsclubs zoals ‘De Hasseltse Schuit’ en ‘De Görkese Turken’. Maar het bleef binnen vier muren. Op straat moesten de carnavalskleren nog steeds onder de jas verstopt worden.
Exact 100 jaar na het oproer, trok er in 1957 voor het eerst toch weer een carnavalsoptocht door de straten van de stad, zij het dat het maar om één wijk ging, Jeruzalem, en het waren alleen maar verklede kinderen. Toch is daarmee de herleving van het openbaar carnaval begonnen. De optochten werden daar in 1958 en ’59 met steeds meer succes herhaald en in 1960 werd samen met de Goirkese en Hasseltse clubs gestreefd naar een stedelijk evenement.
‘t Kruikske
Zo ontstond de ‘Tilburgse Kindercarnavalsvereniging ’t Kruikske’. B en W gaven vergunning voor een kinderoptocht door het centrum, maar zij wensten: ‘in het verlenen van deze vergunning geenszins of ook maar enigermate tot uitdrukking gebracht te zien dat wij de openbare carnavalsviering in deze gemeente zouden willen aanmoedigen of bevorderen’. Het gemeentebestuur en het meer notabele deel van de bevolking keek met enige minachting neer op dit kinderachtige volksvermaak, maar de optocht werd een succes. Naast deze stedelijke optocht kwamen er in de daaropvolgende jaren ook allerlei kleinere stoetjes, veelal van uit café’s zoals op Korvel en het Wilhelminapark. In de parochiehuizen en ‘sozen’ werden met goedkeuring van een nieuwe generatie pastoors door jongerenleiders voor de opgroeiende jeugd carnavalsvieringen georganiseerd. Commerciële beheerders van grotere zalen kwamen inmiddels ook in verweer tegen het nog steeds gehandhaafde verbod op muziek en danspartijen door niet aan een club verbonden feestvierders.
Moedige daden
De tijd werd rijp voor nog meer moedige daden. Het steeds weer schoorvoetend toegevende stadsbestuur vroeg daar als het ware om. In 1963 waagde de vereniging ‘De Bierpompen’ uit café ‘Monopole’ aan de Heuvel het om hun prins van het station in een open rijtuig door de stad te vervoeren naar café ‘Havenzicht’ aan de Piushaven. Dat was het tehuis van de bevriende vereniging ‘De Watergeuzen’. Daar aangekomen verscheen de politie en maakte 34 processen verbaal wegens verstoring van de openbare orde op tegen alle aanwezige leden van de club. De aanklachten werden gelukkig geseponeerd, maar in 1964 herhaalde het spel met de politie zich, nu zonder processen. Na deze toch wel geslaagde provocaties nam een aantal Tilburgse kasteleins, onder leiding van Dré Meulenbroek van café ‘Casino’ aan de Sint Josephstraat, het initiatief om eens met de burgemeester te gaan praten. Die was bereid mee te denken als het openbare carnaval ‘stedelijk en op goed niveau’ zou worden georganiseerd. Onder voorzitterschap van Meulenbroek werd daarom door de kasteleinsclub samen met nog wat andere organisaties een ‘Comité Stadscarnaval Tilburg’ opgericht. Belangrijk daarbij was ook dat jong-volwassenen die verenigd waren in sportverenigingen, jeugdsozen en clubs als de Katholieke Jonge Middenstand bijzonder graag hun uitbundige besloten carnavalsfeesten naar buiten wilden brengen. Net zoals honderd jaar geleden was de onstuimige jeugd, niet alleen studenten roerden zich in deze tijd, weer een belangrijke factor in de ontwikkeling, maar die ging nu in omgekeerde richting. Zo ontstond bij notariële acte op 13 april 1965 een stichting, die zich ‘Carnavalsvereniging ‘De Kruiken’ Tilburg’ ging noemen. Tevoren al had men vergunning gekregen om eindelijk een echte volwassen stoet door Tilburg te laten trekken. We schrijven 28 februari 1965.
Ontvangst van Stadsprinsen:wel of niet op het stadhuis 
De eerste Stadsprins Pierre I (Deltrap) werd niet op het stadhuis ontvangen. Dat overkwam pas in 1967 Prins Willem I (van Pelt), die het ook presteerde om de zo lang tegenstribbelende burgemeester Becht een kiel te laten aantrekken. Zijn opvolger Joep I (Verheggen) was als notabele verzekeringsdirecteur helemaal in staat om in de vier jaren van zijn prinsschap (1968-1971) het vertrouwen in een ‘goed niveau’ te vestigen. En de joyeuze Fons I (Kleintjes), goed bekend met de Tilburgse ‘fabrikaantefemielies’, heeft de groeiende acceptatie van carnaval door de plaatselijke overheid in zijn volgende vier jaren alleen maar bestendigd. Zelfs de chique sociëteit ‘Philharmonie’ kreeg zijn eigen carnavalsvereniging. De andere sociëteit, de Nieuwe Koninklijke Harmonie was in de beginjaren van de stichting de residentie van de Prins. De cultuurtempel, die de Stadsschouwburg toch is, werd al snel de vaste locatie voor de grote voorfeesten en is met carnaval zelf het toneel van veel leut onder aanvoering van de daar thuis zijnde ‘Flepsteppers’. Opmerkelijk is dat in hetzelfde jaar 1971, dat er door de gemeente voor het eerst een garantiesubsidie werd verleend ook besloten werd om op de carnavalsmaandag geen gemeenteraadsvergadering te houden. Maar natuurlijk lag die acceptatie door de overheid niet alleen aan de persoon van de prins. Inmiddels was er na enige interne strubbelingen in de oude club in 1968 onder voorzitterschap van Jan van Wijk een vernieuwde en redelijk strak georganiseerde ‘Carnavalsstichting Tilburg’ ontstaan, waar ook de inmiddels zeer talrijke verenigingen en dwèlorkesten zich bij thuis voelden. Die stichting ging een eigen symboliek en vaste gebruiken en tradities ontwikkelen. Zo ontstond naast Prins, Raad van XI, Lijfwacht en Hofkapel het ‘College der Duvelèrs’. Laatstgenoemden zijn de werkers van de stichting in de talrijke commissies. Inmiddels resideert de Prins en zijn Gevolg weer in de Nieuwe Koninklijke Harmonie en worden verscheidenen feesten op ander locaties dan theaters Tilburg gehouden. Bijvoorbeeld in 013.
Kruik en Kruikenzeikers vanaf het begin aanwezig
Vanaf het prille begin zijn de Tilburgse ‘kruik’ en de ‘kruikenzeiker’ de symbolen van carnaval in ‘Kruikenstad’. Het beeld van het mannetje met zijn kruik voor de onderbuik wordt sinds 1968 elk jaar op zaterdagmiddag plechtig op de sokkel op de Heuvel gezet en er met weemoedig gezang op dinsdagavond weer vanaf gehaald. In brons gegoten heeft hij zelfs een permanente plaats in de Nieuwlandstraat gekregen. Veel namen zoals ‘de Duvelèrs’ en andere symboliek hangen samen met het Tilburgse textielverleden. Het meest opvallende kledingstuk van de carnavalsvierders, de werkkiel heeft daar ook mee te maken, zij het dat die van eenvoudig blauw geleidelijk aan even zoveel kleuren heeft gekregen als er carnavalsverenigingen en orkestjes zijn. In de jaren 1969-1977 was er zelfs een massaal bezocht ‘Kielenbal’ op vrijdagavond in de Stadssporthal, eigenlijk speciaal bedoeld voor leden van de Tilburgse sportverenigingen maar al gauw een feest voor iedereen die zich jong voelde.
Verenigingen staan centraal in viering carnaval in Kruikenstad
Nog steeds is het bestaan van vele verenigingen, waaronder een aantal met een respectabele leeftijd en staat van dienst vooral als wagenbouwers in de optocht, een typisch kenmerk van het Tilburgse carnaval. Tegenwoordig ligt het accent echter toch ook meer en meer op de kleinere vriendengroepen zowel mannelijke als vrouwelijke en de steeds talrijker opduikende dweilorkestjes. Ook kenmerkend is het strakke protocol, waaraan de stichting en daarmee Prins en Raad zich houden. Heel zeker is dat een gevolg van de discipline die er bij de herleving bewust is ingebracht, om daarmee te tonen dat men carnaval ‘op niveau’ kon vieren. Die strakke organisatie zorgt ook voor een sterke binding in de steeds groter wordende groep stadgenoten, die bij die organisatie betrokken zijn geraakt. Denk aan donateurs (‘Dokmardeurs’ en leden van de ‘Club van 111’) en sponsors (‘Stuperèrs’ en ‘Scheutige Afschieters’), die herkenbaar zijn aan de attributen in de carnavaleske stadskleuren: oranje en groen. Oud-prinsen en oud-leden van de Raad van Elf hebben zich verenigd in de ‘Knopperts van Toen’, die zich op gezette tijden extra inzetten door mee te doen aan kolderieke kunstzinnige manifestaties bij gelegenheid van jubilea van het openbaar carnaval en door zitting te nemen in de werkgroepen en commissies. Dat de horeca zich nog steeds wil inzetten voor een soepel verlopend feest wordt wel bewezen door dat de Tilburgse carnavalsvierders hun consumpties sinds 1996 (na een aarzelend begin in 1985) alom in de cafés en bars tegen eenheidsprijzen kunnen betalen met een ‘Kruikenmunt’.
Centrale figuur bij dit alles is en blijft de stadsprins.
Bovenstaand artikel is van de hand van Gerard Steijns en is verschenen in het jubileumboek ter gelegenheid van 4 x 11 jaar Kruikenstad.